Mijn vriendin en ik lopen achter de verpleegkundige aan die straks mijn vriendin gaat insemineren. Dat wil zeggen: tot de poort, want ik heb al bedacht dat ík het spul naar binnen ga spuiten. Dat is mijn taak, ja toch? We lopen door een lange gang. Aan de muren hangen reprints van schilderijen met niet-aanstootgevende thema’s als boombladeren en koeien. Nou, daar gaan we.

Aanhangselgevoelens
Eerst worden we geacht het standaard babbeltje aan te horen over hoe en wat er gaat gebeuren. Beetje overbodig wat mij betreft, er zijn niet heel veel verschillende manieren waarop we de komende vijftien minuten gaan spenderen. ‘We kunnen het in haar gezicht spuiten, of tussen haar borsten…’ Nee, gaat niet gebeuren. Schiet nou maar op.
En ja, ik heb ochtendhumeur.
Zeker als ik merk dat de verpleegkundige ook haar ochtend niet heeft. Ze richt zich voornamelijk tot mijn vriendin. Ik zit er bij, maar ben overduidelijk aanhangsel in dit hele gebeuren. De verpleegkundige waarmee we de informatie-gesprekken hadden was véél leuker, waar is die gebleven? Of ik wel het daadwerkelijke insemineren mag doen? Ze sputtert tegen: ‘Ja, nou, het inbrengen van de spuit, het is niet de bedoeling’, (NEE DAT BEDOEL IK OOK NIET!) maar het inspuiten, ja dat mag. Mooi, want anders had ik m’n vriendin over m’n schouder gegooid en was weggelopen. Holbewoner stijl.
Ja, ochtendhumeur.

 

Lees hier meer blogs van Vanessa

 

 

Sharing is caring!